Share This Article
Tussen de jaren 1950 en 1980 testten de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie duizenden kernwapens. Elke explosie stuurde een enorme wolk de lucht in, vol radioactieve stoffen zoals cesium-137. Die deeltjes dwarrelden soms honderden kilometers verder en kwamen terecht in de grond, het water en de lucht. Mensen die in de buurt woonden of in de windrichting lagen, liepen daardoor een groter risico op ziektes zoals kanker.
Groot deel nog aanwezig in omgeving
Tijdscapsule
Niet alle radioactieve stoffen verdwijnen snel. Cesium-137 blijft tientallen jaren actief en halveert pas na dertig jaar. Dat betekent dat een groot deel nog steeds in de omgeving aanwezig is. Wetenschappers spreken van een soort tijdcapsule, omdat deze stof laat zien waar en wanneer nucleaire testen plaatsvonden. Ook nu zijn de sporen nog terug te vinden in bodem en zeebodem.
Ingrijpend veranderd
Voor onderzoekers is cesium-137 een duidelijk kenmerk van het Antropoceen, het tijdperk waarin de mens de aarde ingrijpend heeft veranderd. Het maakt duidelijk hoe groot de impact van menselijk handelen kan zijn en hoe lang de gevolgen blijven doorwerken. Deze radioactieve erfenis herinnert eraan dat sommige keuzes generaties lang voelbaar blijven